Ik ben een lieve jongen op een zinkend schip
Steeds hoger klim ik
Langs de reling, de zeilen, in de mast
De boot zinkt dieper en ik klamp me vast
Als ik hoog genoeg klim, als een aapje vlug en snel
Raak ik met mijn vinger misschien de hemel wel
Een hemel boven een oceaan
Uitgestrekt, diep, met een horizon ver van me vandaan
Ik blijf maar klimmen, de lucht beminnen
De boot zakt en groeit een nieuwe top
Oh hemel, zee en aarde, wanneer wil je dat ik stop?
Welke dag is de boot uitgegroeid
Welke dag zink ik doodvermoeid
In de fluisterzachte golven
Wordt het puntje van mijn vinger bedolven
Blijkt die diepe oceaan maar een kleine vijver
Leert de wind me op het water drijven